Dit helpt tegen wateroverlast en –tekort

Om in het voorjaar wat sneller op te schieten, zaaide ik dit eindeloos zomerse najaar veldzuring in plastic bakjes waarin geen gaatjes voor waterafvoer in de bodem zitten. Voor het ene bakje draaide ik papieren plantpotjes. Bij het andere bakjes was ik het zat en stopte ik de zaadjes domweg in de aarde. Wekenlang stonden ze buiten in de zon. Wat opviel:

  • Het bakje zonder krantpotjes gaf ik enkele keren water, het andere bleef vochtig genoeg.
  • In het krantenpotjesbakje kwamen meer groene blaadjes op dan in het andere.
  • Toen het weer omsloeg en er flink wat regen viel op de bakjes stond dat zonder krantenpotjes stond meteen vol water. Dat mét krantenpotjes vertoonde (nog) geen enkele wateroverlast.

Nu weet ik het zeker: organisch materiaal in de bodem helpt heel goed om de waterhuishouding te regelen. De bodem droogt veel minder snel uit én  kan veel meer water opnemen.

Wilde jagers

Onze nieuwe valkenkast op een metershoge paal is een blikvanger; hij overstijgt met gemak alle omringende vegetatie. Direct nadat met NLDoet de paal overeind gehesen was wisten de beoogde gebruikers, de torenvalken, hem al te vinden. Ze zitten er op. Enkele keren hebben mensen gezien dat ze er in gingen. Ze zouden zelfs met z’n tweeën de kast inspecteren. De spanning stijgt: doen ze het wel of doen ze het niet?

Niet alleen torenvalken, maar meer roofdieren worden gesignaleerd op De Parkse Gaard. Er zijn vossendrollen gevonden. Niet door mij maar door iemand die na zorgvuldig kijken en pulken – veertjes die er in zitten zijn afgebeten zoals een vos dat doet enzovoort – het zeker weet. Als hij even later omhoog kijkt, ziet hij een rode wouw boven ons zweven. Heel hoog en toch heel groot. Die vorm van de vleugels, het witte patroon er op (verrekijker), geen twijfel mogelijk. Hij ziet heel wat meer dan ik. Leuk gezelschap overigens, zo dan zie ik ook nog eens wat.

Roofdieren komen af op hun prooi. Wat betekenen die wilde jagers voor andere dieren in De Parkse Gaard? Vorig jaar broedden twee wilde eenden op hun nesten. Zeker een nest is uitgekomen want er zwommen acht kleine eendjes in de watergang naast ons. Dit jaar heb ik al verschillende keren kapotte eierschalen gevonden. Die komen ergens uit de omgeving, bij ons is nog geen nest gezien. De resten van een haas lagen tussen de fruitbomen, nog herkenbaar aan de achterpoot.
En de bewoners van die eindeloos veel muizengaatjes in de grond, die hebben allang de aandacht van de torenvalken getrokken.

NLDoet, valkenkast opgericht

De natuur ontwikkelt zich in dit gebied en dus is het eten en gegeten worden. Zelfs onze planten moeten er wel eens aan geloven. Waren het muizen die van de kardoenplanten de lange penwortel wegvraten? We keken verbaasd in een zwarte diepte waaromheen gestrekt de stengel en bladeren van de voorheen 2 meter hoge kardoen lagen. Dat zijn geen vaste planten meer.
Gaan straks torenvalken ‘van eigen teelt’ onze kardoen beschermen?

Een winters genoegen: op mossenjacht

Mossen zijn volhouders. Zij gaan zomer en winter door. Als het te droog is verschrompelen ze om bij regen weer op te leven. Ze zijn het beste te zien in de periode dat de vaatplanten het niet doen. Dat geeft ruimte om mossen te ontdekken.

In ons jonge voedselbos hebben 15 soorten hun plekje gevonden. Mossenkenner Michel Zwarts die ons terrein zoekend afstruint, brengt de mossen op naam. Voor sommige heeft hij de hulp van een microscoop, thuis, nodig. In de aanpalende Santackergaard, een jaar na de Parkse Gaard aangeplant, zijn 8 soorten gevonden. In de andere voedselbossen in de Park,  Ecovredegaaard en Cidergaard, worden ze ook geteld.

Het gaat grotendeels om pionierssoorten. Met de ontwikkeling van het gebied, ontwikkelt de mossenpopulatie zich ook. Dat is een reden dat het zo leuk is er nu naar te zoeken en dit jaarlijks te herhalen.

Michel onderzoekt een mos
Maar het leukste is het omdat mosjes zo mooi zijn om te bekijken. Een miniwereld vol verrassingen verschijnt onder het loepje. Tere blaadjes, geplooid of bijna doorzichtig, met een uitstekend puntje en nerf, of niet. Gerangschikt aan de stengel of tezamen een bol rozet vormend. Aan de steeltjes steken soms haren uit. Broedkorreltjes kunnen in de bladoksels zitten. Een kapsel erbij maakt het op naam brengen vaak makkelijker. Want al zijn er verrassende  verschillen te zien, er zijn er ook genoeg die te veel op elkaar lijken.
kleismaragdsteeltje en gewoon krulmos dat mooi buigende kapsels heeft.
Een deel van de gevonden soorten: Kleismaragdsteeltje, Kleigreppelmos, Kleidubbeltandmos, Kleivedermos en dan ook nog eens Gewoon kleimos.
Ons voedselbos staat inderdaad in de klei. Soorten met een voorkeur voor dood hout, oude bomen, stenen of zandgrond komen we hier, nu in ieder geval, niet tegen. Maar wie weet welke soorten zich in de toekomst wel zullen vestigen in ons voedselbos?

 

 

Onmisbare wormen

Even spitten voor een plantgat en de wormpjes krioelen rond, in december. Dat was ruim anderhalf jaar geleden wel anders. Toen riepen we iedereen bij elkaar als er één worm gevonden werd tijdens plantwerk in het begin van het voedselbos.

Maar nu, twee groeiseizoenen later, zien we het gebeuren: de bovenlaag is losser aan het worden. Met dank aan, mede, de wormen.

We vinden voornamelijk kleine strooiselwormen. Jonkies deels, nog zonder zadel. Dat is de verdikking ergens halverwege het lange lijf waar bij volwassen wormen, vanaf 3 maanden oud, het broodnodige slijm geproduceerd wordt.

Strooiselwormen gaan niet dieper dan 10 cm de grond in, dus die kom je als eerste tegen. Ze zijn beetje rood en bewegelijk. Fascinerend hoe ze vooruitkomen: een sierlijk, moeiteloos uitstrekken en verdikken van een afwisselend deel van de vele tientallen (of zijn het vele honderden?) segmenten die het lijf vormen. Een darm schemert door als een lange donkere streep, tot halverwege.

Eén worm verdenk ik ervan een pendelaar te zijn. Groter, lichte staart, donkere kop. En lichter van kleur aan de onderkant. Dat is een soort die we graag zien, maar zich niet snel laat zien. De regen haalde hem waarschijnlijk omhoog. Pendelaars maken de grond tot 1,5m diep open met hun verticale gangen. Lucht en water kunnen doordringen wat kansen geeft voor andere vormen van bodemleven.

Met genoeg wormen van allerlei soort en zeker ook pendelaars, zijn zware regenbuien geen probleem meer, zelfs niet in onze zware klei. Ze verbeteren de grond door bladeren omlaag te trekken, door hun eten uit te poepen als goede meststof. Daar willen we wel heel veel van. In grond die niet bewerkt wordt en bedekt blijft, kunnen honderden wormen op een m2 voorkomen. Ook fijn voor vogels, egels en andere wormeneters.

Hoog tijd om de wormen op de Parkse Gaard eens te gaan tellen, dit voorjaar!

 

Tamme kastanjes

Het is dat mijn hamsterinstinct toch een wintervoorraad tamme kastanjes wilde hebben, anders had ik na de eerste frustrerende pogingen het erbij laten zitten. Tamme kastanjes zag ik als noodvoer voor wanneer er erg slechte tijden aanbreken, hoe waardevol ze ook zijn als voedsel.
Met een andere aanpak is het toch wat geworden en nu ligt de voorraad in de vriezer.

Mijn strategie wil ik even uiteenzetten. Het scheelt tijd en moeite.

  1. Elke gave bruine kastanje, met een leuk pluimpje op top, kreeg een klap met een zware hamer en met z’n alle gingen ze de pan in. Inkruisen met een mesje is zóóó’n hopeloos werk.
  2. Niet 10 minuten koken zoals ik ergens geadviseerde zag, maar vééél langer. Naar mijn idee zitten dan de beruchte vliesjes losser. De al indrogende kastanjes zogen het water in de pan op en waren toen weer prima.
  3. Dit is het makkelijkste deel. De kastanje moet warm zijn maar je wil niet je handen branden. Dat weer wel.
  4. En dan die vliesjes. Als ze goed meewerkten, haalde ik ze er af. Anders niet. Dat scheelt hééél veel tijd. Volgens iedereen smaken de kastanjes dan bitter maar ik proef dat niet.

Het blijft een vreemde noot, de tamme kastanje. Van binnen is hij het vreemdst. Onnaspeurbaar ingewikkeld gegroeid. De foto laat het zien.

Wat me ook bevreemd: hoe kunnen gekochte kastanjes zo mooi gaaf ontvliesd zijn? Als mensen dat met de hand doen worden ze knettergek. Maar kan het mechanisch zo subtiel gedaan worden?

Er blijven altijd vragen